Foerageerprotocollen kiekendieven

Om het jaagsucces van kiekendieven te kunnen bepalen hebben we een foerageerprotocol ontwikkeld. Hierbij wordt een jagende kiekendief een vaste tijdseenheid geobserveerd, waarbij nauwkeurig wordt bijgehouden hoe lang de vogel vliegt, hoe vaak een prooi wordt gevangen, en hoe vaak een stoot naar de grond succesvol is. Het aantal gevangen prooien per tijdseenheid geeft het jaagsucces weer (uitgedrukt in prooien per minuut vliegtijd), het aantal succesvolle stoten is het stootsucces (in % succesvolle stoten).

Kiekendieven prefereren habitats waarin ze een hoog jaagsucces behalen. Dit hoeft niet per se de habitat te zijn met de hoogste dichtheden aan prooien, want ook de vangkans van de prooien heeft effect op het jaagsucces. Zo bleken jagende blauwe kiekendieven in de winter intensief grasland boven wintervoedselveldjes te prefereren, ondanks de veel hogere aantallen muizen in de wintervoedselveldjes. De reden was dat muizen in de hoge en dichte vegetatie van de wintervoedselveldjes veel moeilijker te vangen waren (laag stootsucces).