Geelgors

© Annemarie Loof

Geelgors
Emberiza citrinella
EN Yellowhammer
DE Goldammer

Familie:
Gorzen (Emberizidae)

Status:
NL Algemeen
IUCN Niet bedreigd
Wereldwijd Afnemend

in Nederland:
Jaarrond
Vogeltrekatlas

Broedperiode april – augustus
Broedduur 12-14 dagen
Uitvliegen 13 – 16 dagen
Aantal eieren 3-5 eieren
Aantal legsels Max. 3 legsels
Broedzorg Vrouwtje
Jongenzorg Beide ouders

15.5-17 cm Geelgorzen zijn het gemakkelijkst te herkennen aan het geel in het verenkleed met name op de kop en buik. Ze hebben daarnaast een egaal rossige stuit die contrasteert met de meer olijfbruine rug.

Man gelere kop (in het broedseizoen duidelijker dan in de winter) | Vrouw over het algemeen bruiner

De vlucht van geelgorzen bestaat uit snelle vleugelslagen afgewisseld met korte glijvluchten. De gele buik en kop en de rosse stuit zijn daarbij opvallend, evenals het wit op de buitenste staartpennen en de gestreepte flanken.

Jonge geelgorzen krijgen insecten van hun ouders, die in het broedseizoen zelf ook deels insecten eten. Later in het seizoen wordt dit uitgebreid met zaden, zoals granen maar ook akkerkruiden zoals klein kruiskruid, dovenetels en zuring. Geelgorzen zoeken dus voornamelijk op de grond naar voedsel, maar worden ook wel gezien hangend aan graanstengels in het najaar terwijl ze de zaden naar binnen werken.

Een mannetje geelgors zingt vaak vanaf een zangpost in de top van een struik of boom. Als hij een potentiele partner op het oog heeft wordt deze versierd met snelle, buitelende achtervolgingsvluchten. Man en vrouw blijven vervolgens bij elkaar in de buurt tijdens het foerageren. Een vrouwtje geelgors bouwt haar nest meestal dicht bij de grond, laag onder in struweel of in wat ruigere vegetatie in greppels of onder(in) heggen. Als de jongen er zijn vliegen beide ouders af en aan met voedsel.

Geelgorzen verzamelen zich in de winter in groepen, regelmatig worden ze daarin vergezeld door rietgorzen, soms zelfs grauwe gorzen en andere winterse zaadeters. Ze vliegen dan vaak tussen bomen of hogere struiken en bijvoorbeeld een wintervoedselveldje heen en weer om afwisselend te foerageren en rusten.

Uiterlijk

15.5-17 cm Geelgorzen zijn het gemakkelijkst te herkennen aan het geel in het verenkleed met name op de kop en buik. Ze hebben daarnaast een egaal rossige stuit die contrasteert met de meer olijfbruine rug.

Man gelere kop (in het broedseizoen duidelijker dan in de winter) | Vrouw over het algemeen bruiner

Vlucht

De vlucht van geelgorzen bestaat uit snelle vleugelslagen afgewisseld met korte glijvluchten. De gele buik en kop en de rosse stuit zijn daarbij opvallend, evenals het wit op de buitenste staartpennen en de gestreepte flanken.

Voedsel

Jonge geelgorzen krijgen insecten van hun ouders, die in het broedseizoen zelf ook deels insecten eten. Later in het seizoen wordt dit uitgebreid met zaden, zoals granen maar ook akkerkruiden zoals klein kruiskruid, dovenetels en zuring. Geelgorzen zoeken dus voornamelijk op de grond naar voedsel, maar worden ook wel gezien hangend aan graanstengels in het najaar terwijl ze de zaden naar binnen werken.

Broedseizoen

Een mannetje geelgors zingt vaak vanaf een zangpost in de top van een struik of boom. Als hij een potentiele partner op het oog heeft wordt deze versierd met snelle, buitelende achtervolgingsvluchten. Man en vrouw blijven vervolgens bij elkaar in de buurt tijdens het foerageren. Een vrouwtje geelgors bouwt haar nest meestal dicht bij de grond, laag onder in struweel of in wat ruigere vegetatie in greppels of onder(in) heggen. Als de jongen er zijn vliegen beide ouders af en aan met voedsel.

Winter

Geelgorzen verzamelen zich in de winter in groepen, regelmatig worden ze daarin vergezeld door rietgorzen, soms zelfs grauwe gorzen en andere winterse zaadeters. Ze vliegen dan vaak tussen bomen of hogere struiken en bijvoorbeeld een wintervoedselveldje heen en weer om afwisselend te foerageren en rusten.

Man

Vrouw

Bedreigingen en kansen

Broedseizoen – In het broedseizoen wordt het voorkomen van geelgorzen logischerwijs mede bepaalt door nestgelegenheid. Met het verdwijnen van veel kleine landschapselementen zoals struwelen, overhoekjes, hagen en houtwallen, in het intensieve, agrarische gebied is veel de nestgelegenheid verdwenen. Er zijn echter verschillende maatregelen waarop geelgorzen positief reageren. Aanplant van struweel en het creëren van overhoekjes doen aantallen broedende geelgorzen toenemen. Hierbij hoeft geen productiegrond verloren te gaan om effect te hebben, al heeft opschaling van dergelijk maatregelen ongetwijfeld een positief effect. Hetzelfde geldt voor de aanleg van akkerranden. De geelgors is een soort die duidelijk profiteert van agrarisch natuurbeheer.

Winter – Geelgorzen zijn jaarrond grotendeels afhankelijk van het agrarisch gebied voor voedsel. Met de intensivering van de landbouw is er ‘s winters een steeds grotere periode ontstaan waarin het voor boerenlandvogels moeilijk is voedsel te vinden doordat de meeste akkers al op tijd worden omgeploegd en ‘s winter kaal zijn. Stoppelvelden waar gemorst graan als voedsel achterblijft zijn zo onder andere steeds schaarser geworden Het inzaaien van wintervoedsel is daarmee een belangrijke oplossing om deze ‘winter food gap‘ op te vullen, ligging en schaal zijn hierbij belangrijke factoren die het nut voor geelgorzen beïnvloeden.

Habitat
Halfopen
Akkers
Struweel
Ruigte
Kleine landschapselementen

Zang

Roep

Meer lezen

31-jan-2019 Overschot aan jonge mannen bij overwinterende geelgorzen

Klaassen R., Schultinga M., Sirks A., Kleyheeg E. & Wiersma P. (2022). Evaluatie van de effecten van het agrarisch natuurbeheer op voorkomen en trends van akkervogels in de provincie Groningen 2015 – 2020. GKA-rapport 2022-01. Grauwe Kiekendief – Kenniscentrum Akkervogels, Scheemda.

Klaassen R., S. de Vries, E. Ringelberg & P.H. Mulder. (2022). Het belang van veldstruweel voor geelgors en grasmus in akkerbouwgebieden – het voorbeeld van Boerenbuitengebied Muntendam. De Levende Natuur.

Externe links
Sovon

Vogelbescherming