Vlieggedrag van kiekendieven in relatie tot windturbines

Onderzoekers van Grauwe Kiekendief – Kenniscentrum Akkervogels (GKA) onderzochten het aanvaringsrisico met behulp van GPS-loggers. Het blijkt dat kiekendieven meestal onder de rotorhoogte vliegen, en de turbines vermijden als ze wel op die hoogte komen. GKA voorspelt echter dat de sterfte van kiekendieven door windturbines hoger zal zijn als er windturbineparken in hun broedgebied komen te staan.

Zowel kiekendieven als ontwikkelaars van windturbineparken houden van open landschappen. Opwekken van duurzame energie is belangrijk, maar groei van het aantal windparken kan problematisch voor kiekendieven zijn omdat ze door rotorbladen geraakt kunnen worden. Om hun vlieggedrag en daarmee het aanvaringsrisico beter te begrijpen, zijn in provincie Groningen kiekendieven met GPS-loggers uitgerust.

In Europa zijn tientallen voorbeelden bekend van aanvaringen van kiekendieven met windturbines. Slachtoffers kunnen gedeeltelijk worden vermeden door windturbineparken niet in gebieden aan te leggen waar kiekendieven voorkomen, en mogelijk ook door te kiezen voor bepaalde typen windturbines waarbij het aanvaringsrisico lager is. Hiervoor is echter gedetailleerde kennis over het vlieggedrag van de vogels nodig, zoals informatie over vlieghoogte en vermijdingsgedrag.

Het is erg moeilijk om deze specifieke informatie door veldobservaties te verkrijgen, omdat het niet mogelijk is de exacte vlieghoogte en afstand tot een windturbine vast te stellen. Zelfs GPS-loggers bieden normaal gesproken geen uitkomst, want posities zijn veelal niet nauwkeurig genoeg.

Een oplossing is om heel frequent (bijvoorbeeld elke 3 seconden) een GPS-positie vast te leggen: daarmee neemt de nauwkeurigheid sterk toe. Grauwe Kiekendief – Kenniscentrum Akkervogels (GKA) heeft daarom de afgelopen jaren bij Grauwe en Bruine kiekendieven die in Groningen met UvA-BiTS GPS-loggers zijn uitgerust, regelmatig dergelijke hoge-resolutiedata verzameld. Hiermee kan het vlieggedrag in detail beschreven worden, en daarmee het aanvaringsrisico beter ingeschat.

Links: Vlucht van een Grauwe kiekendief door een rij van windturbines in 3D, opgeslagen in hoge resolutie met een UvA-BiTS-GPS-logger. Gele punten: GPS posities kiekendief; rode punten: windturbines; satellietbeeld: Google Earth. Rechts: Bewegingen van een Grauwe kiekendief door een windturbinepark tijdens twee broedseizoenen. Grijze lijnen: vliegbewegingen kiekendief; rode punten: windturbines.

Het vlieggedrag van kiekendieven

Allereerst zijn de loggerdata gebruikt om uit te zoeken hoe vaak kiekendieven een windturbinepark bezoeken. De uitkomst is dat hoe dichter de kiekendief bij een windturbinepark broedt, hoe meer tijd hij daarin doorbrengt. Twee kiekendiefmannetjes die in een windturbinepark een nest hadden, brachten daar zeventig procent van hun tijd door. Het is dus duidelijk dat het niet bouwen van windturbineparken in de buurt van broedgebieden van kiekendieven de gemakkelijkste manier is om slachtoffers te voorkomen.

Een tweede belangrijk onderdeel om het aanvaringsrisico te bepalen, is de tijd die een kiekendief op rotorhoogte doorbrengt. Hiervoor moesten twee dingen uitgezocht worden: hoeveel uur per dag kiekendieven vliegen, en hoe hoog ze vliegen. Mannetjes Grauwe Kiekendief bleken gemiddeld 8.2 uur per dag te vliegen en mannetjes van de Bruine Kiekendief 7.3 uur. Dit is veel in vergelijking met andere roofvogels. De gemiddelde vliegtijd van buizerds is bijvoorbeeld minder dan een vijfde daarvan.

Links: Verdeling van de vlieghoogtes van mannetjes Grauwe en Bruine Kiekendieven. Rechts: Relatie tussen de afmetingen van windturbines en de tijd die Grauwe Kiekendieven op rotorhoogte doorbrengen. Op de x-as staat de afstand van de onderkant van de rotor naar de grond; elke kromme vertegenwoordigt een bepaalde rotorstraal.

Wat de vlieghoogtes betreft, bleken kiekendieven relatief laag te vliegen. 75 tot 89 procent van de vliegtijd vlogen ze lager dan tien meter en maar in 3.3 tot 7.1 procent van de vliegtijd vlogen ze op rotorhoogte. In dit geval was dat tussen 45 en 125 meter. De hoogte waarop kiekendieven vliegen, wordt mede bepaald door hun jaaggedrag: ze jagen namelijk voornamelijk op gehoor. Hierdoor is de tijd die ze op rotorhoogte doorbrengen beperkt, ondanks het feit dat ze dagelijks zoveel uren in de lucht zijn. Een ander effect van de lage vlieghoogtes is dat hoe hoger de windturbine is, en de afstand tussen de grond en de rotorbladen dus groter is, hoe minder tijd de kiekendieven op gevaarlijke hoogtes doorbrengen. Het re-poweren van windturbineparken met hogere turbines zou voor kiekendieven dus voordelig kunnen uitpakken.

Vermijdingsgedrag

Vermijdingsgedrag van Bruine en Grauwe kiekendieven ten opzichte van windturbines. De plaatjes tonen de horizontale verdeling van GPS posities rondom windturbines. Alle turbines met bijbehorende posities zijn over elkaar heen gelegd. Rode punt = windturbinetoren, rode cirkel = risicozone, grijze cirkels = banden van 20 meter. Het ontwijken van windturbines op rotorhoogte is duidelijk te zien.

Ten slotte kon met de hoge-resolutie GPS-loggerdata ook nog vermijdingsgedrag vastgesteld worden. Het blijkt dat zowel Grauwe als Bruine Kiekendieven de windturbines ontwijken als ze op rotorhoogte vliegen. Wanneer ze lager vliegen, komen ze regelmatig op enkele meters afstand van de turbinetorens langs, en tonen dan dus nauwelijks vermijdingsgedrag.

Aanvaringsrisicomodellen

Met al deze nieuwe informatie over het vlieggedrag in combinatie met gegevens over de verspreiding van nesten van kiekendieven in Oost-Groningen heeft GKA een model gebruikt dat het aanvaringsrisico voorspelt. Dit model laat zien dat de sterfte van Grauwe Kiekendieven door windturbines op dit moment in het studiegebied vrij laag is. Dit komt voornamelijk doordat de windturbineparken op dit moment alleen nog aan de randen van hun broedgebied liggen. Zou een windturbinepark in één van de hotspots voor kiekendieven gebouwd worden, dan zouden er volgens het aanvaringsrisicomodel veel meer slachtoffers vallen. En dat vormt dan een ernstig probleem voor het voortbestaan van de lokale populatie.

Windturbinepark bij Delfzijl waar in de afgelopen jaren regelmatig Bruine en Grauwe kiekendieven broedden en verschillende daarvan door GKA gezenderd werden.

Voortzetting onderzoek

Met het aanvaringsrisicomodel is er een krachtig instrument voor handen om het effect van de bouw van een windturbinepark op een bepaalde plek te voorspellen. Deze aanpak wil GKA ook toepassen in andere gebieden. Met dit doel voor ogen zijn er in 2019 bijvoorbeeld voor het eerst Grauwe en Bruine kiekendieven met GPS loggers uitgerust in Flevoland, een windenergieprovincie bij uitstek.

Verder wil GKA deze aanpak ook voor andere soorten gebruiken, hoewel het kenniscentrum dan eerst voldoende kennis over hun vlieggedrag moet verkrijgen. De Rode wouw is wat dat betreft een interessante soort, want deze wordt bovengemiddeld vaak dood onder windturbines gevonden. Dit komt zeer waarschijnlijk doordat ze hoger vliegen, en daarmee veel meer tijd op rotorhoogte doorbrengen. Afgelopen jaar zijn er in Nederland Rode wouwen gezenderd en van deze vogels worden er ook al in periodes hoge-resolutiedata verzameld. GKA verwacht met dit onderzoek een bijdrage te kunnen leveren aan vooral ook een ecologisch duurzame energietransitie, die rekening houdt met de bescherming van bedreigde vogelsoorten.

De resultaten van ons onderzoek met betrekking tot vlieggedrag en aanvaringsrisico bij Grauwe Kiekendieven werden onlangs gepubliceerd in het tijdschrift Ibis. Schaub T, Klaassen RHG, Bouten W, Schlaich AE & Koks BJ 2019: Collision risk of Montagu’s Harriers Circus pygargus with wind turbines derived from high‐resolution GPS tracking. Ibis: Early View Article. Een pdf is via email op te vragen bij Tonio Schaub.

Tekst: Tonio Schaub & Raymond Klaassen, Grauwe Kiekendief – Kenniscentrum Akkervogels
Leadfoto’s: Theo van Kooten (Gezenderde Bruine Kiekendief in een windturbinepark bij Delfzijl)
Overige afbeeldingen: Grauwe Kiekendief – Kenniscentrum Akkervogels

Dit artikel is 17 november verschenen op NatureToday.